vrijdag 11 januari 2019

Over armoede gesproken.....


Ze komen samen binnen. Een man en een vrouw. Een ouder echtpaar. Ze zien er beide excentriek uit. Al sinds ik hem ken moet ik aan een schipper denken als ik hem zie. Een baard, zeemanstrui. Een hardwerkende schipper, daar lijkt hij op. Alsof hij zo uit het vooronder is vandaan gekomen. De olie vlekken nog in de broek en pikzwarte handen. Hij is echter geen schipper. Zo ziet hij er altijd uit. Ongeacht wanneer ik hem tegen kom.

We kijken elkaar aan en schieten beide in de lach als de herkenning daar is.  “Dat we mekoar hier nou teeg’n komm’n in Sodom. Wel had dat docht?” In onvervalst plat Gronings begroet hij mij. (Sodom is een sarcastische bijnaam dat al jaren gebruikt wordt voor Winschoten) Al gauw merk ik dat het hun eerste keer is dat ze in de winkel komen. Ze waren nog niet eerder geweest en wonen hier ook niet. Dit is mijn tweede week op mijn nieuwe werkplek. Het is een inloop, winkel en dagbesteding ineen. Een sociaal plan dat verder gaat dan alleen een dagbestedingsplek voor mensen met een verslaving, psychosociale problemen of licht verstandelijke handicap. We zijn tevens een inloophuis voor iedereen die het nodig heeft. Van kop koffie tot goed gesprek over het geloof.

Ik bied ze een kop koffie aan en ze gaan zitten. Dan vertelt hij mij hoe zijn afgelopen jaar geweest is. Zijn taalgebruik is simpel. Zijn woordkeuze in onvervalst plat Gronings. “Wat heb ik van die genoot’n”
Eerst begreep ik het niet waar hij op doelt. Dan schiet me te binnen dat hij bij de seminars was die we gaven voor de mensen uit de Veenkolonien met het thema afwijzing. Hij bedoelt de aanbidding die ik samen met nog 4 mensen leidde. Hij zat steeds met zijn duimpje omhoog op de stoel. Hier over gesproken gaat het gesprek al snel over het geloof. Over de Heilige Geest welteverstaan. Ik ken deze man als iemand die altijd vol van de Geest is. Je kunt het aan zijn ogen zien. Zijn uiterlijk echter, maakt dat hij veelal niet goed begrepen wordt. Er wordt heel schrijnend minderwaardig met hem omgegaan.

Hij vertelt me dat hij een bijbel studie doet. Hij gaat elke dinsdag 2,5 uur heen en 2,5 uur terug den lande in naar een grote bekende organisatie. “Hoe is dat?” vraag ik hem oprecht. “moeilijk” antwoord hij heel eerlijk. “Ze begriept mie nait, en zie begriept het leev’n nait” Ik voel een steek van pijn in mijn hart. Als iemand scherp is, dan is hij het wel. Het punt is, dat hij niet kan lezen. Hij is analfabeet. Mensen behandelen hem, naast zijn uiterlijk, hier op. Ze weten het volgens hem allemaal zogenaamd beter omdat zij de bijbel wel kunnen lezen. Wat niemand echter weet, is dat deze man een fotografisch geheugen heeft. Als hij een goede preek hoort, dan slaat hij dat op. Zijn scherpte zit in de volheid van de Geest. Een naadloos onderscheidingsvermogen heeft hij. Weet in een seconde of iets zuiver is of niet. Of iets geestelijk klopt, of niet.

“Weet je” zeg ik hem. “Weet je dat jij echt super slim bent” Hij kijkt me vragend aan. “Weet je, dat jij misschien nog wel slimmer bent dan menigeen die de bijbel WEL kan lezen?”

Ik leg hem uit wat het onderscheidingsvermogen hem oplevert. De volheid van de Geest, dat hem zo levend maakt. Om terug te keren naar zijn persoonlijke situatie. “Weet je eigenlijk wat pas echte armoede is?” vraag ik hem. Weer vragend kijkt hij me aan. “Geestelijke armoede” “Jij bent nog rijker dan onze eigen  koning Willem Alexander” Glinsterende vurige ogen kijken me lachend aan.
“Wij bint moar rieke mens’n “ is zijn antwoord. En zo is het.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten